Bruno Tideman Jr.

Koopman in zaden en ijzerwaren en Publicist

Bruno Tideman groeide op in Amsterdam, waar hij als jonggezel een praktische handelsopleiding genoot in met name graszaden. In West-Nederland was daarnaar altijd grote vraag. Niet alleen bekwaamde hij zijn koopmansgeest in de hoofdstad, ook toonde hij in deze jaren een grote belangstelling voor de vooral uit Engeland afkomstige vakliteratuur, waarin allerlei innovaties werden besproken op het gebied van grassoorten, wijzen van zaaien en over de daarbij noodzakelijk geachte vormen van bemesting.

Hij meldde zich in 1830 aan bij één van de vele vrijwilligerscorpsen die als doel hadden de opstandige Belgen (Belgische Beroerte 1830-1839) terug te brengen in het Koninkrijk van Willem I. In zijn geval werd hij vrijwilliger bij de Artillerie van de Utrechtse Schutterij. In 1836 verliet hij haar als tweede luitenant, inmiddels vereerd met het metalen kruis.

Omdat Bruno Tideman jr. het tijd vond worden de draad van zijn werkzaam leven weer op te pakken, zocht hij naar een woonoord waar hij zich voor lange tijd zou kunnen vestigen. Na lezing van een artikel in de Journal de la Haye, najaar 1837, waarin vermeld wordt dat C.H. baron van Rhemen van Rhemenshuizen benoemd was tot burgemeester van de stad Apeldoorn, meende hij er goed aan te doen die ‘stad’, waar koning Willem I zijn zomerresidentie had, met een bezoek te vereren. Het bleek een uitgestrekte gemeente te zijn; hij voelde zich tot de plaats en de omgeving aangetrokken en vestigde er zich nog hetzelfde jaar. Twee jaar later trad hij te Utrecht in het huwelijk met Maria Antonia Wilhelmina van Schermbeek.

Als lid van het Departement Amsterdam van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen deed het hem een groot genoegen dat juist in 1836 in zijn nieuwe woonplaats een Departement was opgericht. Onmiddellijk meldde hij zich aan, werd een zeer actief (ere)lid en bekleedde tot 1863 het secretariaat van de Maatschappij. In 1838 en 1840 hield hij voor de leden, inclusief de echtgenotes, zijn intredelezingen. Zijn bijdragen werden bijzonder gewaardeerd en verrieden een dusdanige belezenheid dat ze in boekvorm werden uitgegeven, een voorrecht dat niet ieder Nutslid werd gegund. Met name de lezing uit 1840 ‘Over den invloed van verlichting en beschaving op het gevoel en de begrippen van regt en billijkheid’ ging uit van het nuchtere principe: verbeter de wereld, begin bij uzelf. Morele beschaving diende, aldus Bruno Tideman, al in het huwelijk te beginnen. Zijn werken werden gretig gelezen.

Dit en zijn overige activiteiten voor de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen vestigden bij de Gelderse Gedeputeerde Staten de aandacht op zijn persoon, wat resulteerde in een benoeming in de Apeldoornse gemeenteraad van juli 1843 tot december 1845. Zijn kort lidmaatschap van de raad heeft hij aangegrepen om gedaan te krijgen dat er in onder meer het pasgebouwde raadhuis (1842) belangeloos een lokaal werd afgestaan aan het Nut om er een herhalingsschool voor jongenmannen te vestigen voor hand- en bouwkundig tekenen. Voorts werd namens het Nut, naast landbouwontginningsprojecten, een kinderbewaarschool in het leven geroepen.

In 1851 deed hij opnieuw een gooi naar het raadlidmaatschap, ditmaal tijdens de eerste vrije gemeenteraadsverkiezingen, die voortvloeiden uit de Gemeentewet van 1851. Hij bekende politieke kleur en hield zich op in het kamp van de vrijzinnig liberaal Peter Kok Ankersmit, die het opnam tegen de lokale, zogeheten, ‘hofpartij’. Bij de eerste ronde kwam hij een vijftigtal stemmen te kort om rechtstreeks te worden gekozen; de herverkiezing verloor hij. Hierna wijdde Tideman zich aan het (her)schrijven van enkele deels uit het Engels vertaalde landbouwkundige boekwerkjes, met het doel de Nederlandse agrariërs betere voorlichting te verschaffen over grassoorten, graseigenschappen, -behandeling, -bewerking én de introductie van de verticuteerhark. Het belang van deze publicaties mag niet worden onderschat; ze hebben er mede toe bijgedragen dat de Nederlandse landbouw- en veeteeltsector in de tweede helft van de 19de eeuw op een hoger plan konden worden gebracht.

Tideman had alweer enige jaren een bloeiende zaden- en ijzerhandel in Apeldoorn en leverde in 1847 voor het landontginningproject op het landgoed Hohenheim aan de Deventerweg de benodigde (gras)zaden. De nieuwe koning Willem III (1849-1890) was dit alles niet onopgemerkt gebleven, immers ook hij toonde vanuit Het Loo grote belangstelling voor de Nederlandse agrarische bedrijvigheid. Regelmatig liet Willem III in de tuinen rond het paleis in de zomermaanden tentoonstellingen houden met het doel de allerlaatste landbouwkundige ontwikkelingen onder de aandacht van een zo breed mogelijk publiek te brengen. Tideman kreeg de vererende opdracht de vergadering/expositie voor 1852 mede te organiseren. Het mag daarom niet toevallig heten dat de koning in februari 1853, in gezelschap van de Franse grootgrondbezitter graaf de Lareinty een bezoek aan Tidemans zaak bracht, lovende woorden sprak, en hem toestemming verleende voortaan het predikaat ‘koninklijke’ te voeren.

In 1851 was ‘Nederlandsch Mettray’ na een vurig pleidooi door de bekende filantroop W.H. Suringar (1790-1872) in oprichting. Deze instelling beoogde “zoveel mogelijk hulpbehoevende en verwaarloosde knapen, mits tot een der Protestantse kerkgenootschappen behorende, als de beschikbare fondsen toelaten in eene Landbouwkolonie te vereenigen.” Het geld, met name donaties van de koninklijke familie en de meer gegoede burgerij, zorgde ervoor dat onder Zutphen in Eefde, gemeente Gorssel, weldra zo’n honderd jongens konden worden (her)opgevoed. In Apeldoorn vond Nederlandsch Mettray warme voorstanders in de intendant van Het Loo, jhr. L. van Bronkhorst, G.P. van Blommestein en Bruno Tideman, die als secretaris van de Apeldoornse afdeling (opgericht in 1853) fungeerde. Ook enkele Apeldoornse jongeren werden naar Nederlandsch Mettray gestuurd.

Tideman nam vanaf de oprichting in 1856 zitting in het bestuur van de onder de paraplu van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen in het leven geroepen Hulp- en Spaarbank. Deze instelling bleek weldra een succesvolle onderneming, en voorzag menig starter op de arbeidsmarkt van geld om zijn bedrijf (nieuw) leven in te blazen. Ook stond hij aan de basis van de Apeldoornse Kamer van Koophandel, ditmaal als gewoon bestuurslid.

In 1862 werd Tideman door de lokale liberale kiesvereniging opnieuw voorgedragen om in de Apeldoornse gemeenteraad zitting te nemen. Via een advertentie in de Apeldoornsche Courant werden hij en medekandidaat J. van Houtum, papierfabrikant te Ugchelen, aangeprezen als “mannen die door een veeljarig verblijf in de Gemeente hare belangen kennen, genoegzaam onafhankelijk van karakter zijn om niet onder de invloed van anderen te geraken, en die zonder aanzien van personen steeds het goede willen helpen bevorderen.” Beiden werden gekozen.

Zijn herverkiezing (1866-1870) dankte Tideman wellicht aan zijn tijdens de raadsvergaderingen getoonde mondigheid. Hij voerde naast de toenmalige burgemeester P.M. Tutein Nolthenius (1864-1872) en wethouder S.J. Pannekoek veelvuldig het woord over wat in de vergaderingen te berde werd gebracht. Met de burgemeester nam hij in 1865 plaats in de Algemene Armencommissie die ten doel had versnippering van al de Apeldoornse charitatieve instellingen tegen te gaan om zo een meer doelmatig (gemeentelijk) armenbeleid te voeren.

Met de Apeldoornsche Courant verkeerde Tideman in een soort haat-liefdeverhouding. Enerzijds verweet hij via ingezonden brieven de krant partijdige verslaggeving, wanneer ze haar kolommen kleurde met raadsverslagen. Anderzijds zocht en vond hij in diezelfde Apeldoornsche Courant door artikelen, die onverkort werden geplaatst, een podium voor zijn ideeën, hoe Apeldoorn meer steedse allures te geven. Hij was een warm voorstander van de na 1875 in gang gezette ontwikkelingen, die Apeldoorn voor zowel de industrieel, als de welgestelde aantrekkelijker maakten, onder andere door de aansluiting op de spoorlijn Amsterdam-Zutphen en de aanleg van de villawijk rondom het Oranjepark. Na 1870 trok Tideman zich overigens meer en meer terug uit het openbare leven, hoewel hij door advertenties de plaatsgenoten nog verscheidene keren opriep om demonstraties van weer een nieuw landbouwwerktuig of brandblusmiddel te komen bijwonen.

Vijf jaar voor zijn dood verscheen van zijn hand het boekje Apeldoorn en zijn opkomst. Herinneringen van Bruno Tideman 1837-1885. Hij schreef het uit erkentelijkheid voor al diegenen, die hem in de gelegenheid hadden gesteld iets voor de plaatselijke gemeenschap te mogen betekenen. Al doet de titel vermoeden dat het persoonlijke memoires zijn, niets is minder waar. Hooguit zes keer spreekt hij over zijn eigen inbreng en dat ook nog in een bijzin. Wat dit in hoofdzaak historisch werk vooral zo interessant maakt, is dat hij over veel gedetailleerde dossierkennis blijkt te beschikken en het geheel in een juiste chronologische volgorde weet te plaatsten. Het is neutraal en inhoudelijk correct geschreven, geeft naast een helder overzicht van de sociaal-economische ontwikkelingen informatie over het socio-culturele leven van die dagen; zijn voorliefde voor het Koninklijk Huis stak hij daarbij niet onder stoelen of banken. Het is bovenal een nog steeds bruikbare 19de-eeuwse ontstaansgeschiedenis van de meest uitgestrekte gemeente van Gelderland.

Bron: Biografisch Woordenboek Gelderland.