Slavernij in Nederlands-Indië

Het is bekend dat Nederland slaven maakte en verhandelde. Maar daarbij gaat het
altijd over Suriname en de Antillen – en nooit over Nederlands-Indië. In
de Maand van de Verzwegen Geschiedenis betoog ik dat dat óók in de geschiedenisboeken moet komen.

 

Over deze Nederlandse slavernijgeschiedenis hebben we het nooit

 

It is well-known that the Dutch made slaves and make
business out of them. But that was always about Suriname and the Antilles – and
never about the Dutch East indies. In the Month of the keeping silent History I
argue that this must be mentioned in the history books too! We’re never talking about this history of
slavery

Schrijver, gespecialiseerd in Indonesië

 

ReggieBAAY

 

Nederland staat meer stil bij de slavernij. Sinds enkele jaren maakt het eigen
slavernijverleden deel uit van het
primair en voortgezet onderwijs.En
als je tijdens de jaarlijkse herdenking van de afschaffing van de slavernij op
1 juli het nieuws kijkt, en politici invoelend acte de présence ziet geven, dan
zou je bijna denken dat er in dit land sprake is van een diepgaand historisch
besef als het gaat om het Nederlandse slavernijverleden.

 

The Netherlands is remembering the slavery more and more. Since a few years the period of slavery makes part of the primary and secondary schools. And if you watch the news on tv during the yearly commemoration of the End of the slavery period on July 1, and you see the politicians giving their respect, than you will almost think (!?) that in this country their is seriously historical awareness if it’s about the Dutch slavery period.

Niets is minder waar. Afgezien van het feit dat het onderwerp op de scholen veelal
beschamend.oppervlakkig wordt behandeld(en niet zelden door docenten wordt vermeden), is dat wat wordt onderwezen en herdacht ook nog maar eendeelvan
de Nederlandse slavernijgeschiedenis. Het deel namelijk dat zich afspeelde in
onze voormalige koloniën in de West: Suriname en de Antillen.

Dat ons land ook een meerdere eeuwen omspannend slavernijverleden heeft in het vroegere Nederlands-Indië, dáár wordt tot op heden volledig aan voorbijgegaan. Dit deel van het Nederlandse slavernijverleden ontbreekt geheel in ons collectieve geheugen, in onze nationale geschiedenis, in ons onderwijs en bij onze nationale herdenking.

Nothing is less true. Unless the fact that these cases in schools will besubjected
poorly (and mostly avoided by the teachers) is, that what will be teached and
commemorated, only a small part of the Dutch slavery history. The part namely
what has happened in our former colonies in the West: Suriname and the
Antilles. That our country also has a total past of the slavery in the former
East Indies, thàt is totally forgotten (not mentioned) untill now! This part of
the Dutch slavery past is lacking totally in our National history, in our
school education and in our National yearly commemoration.

Hoe kan dat? En waarom mogen we dit deel van onze slavernijgeschiedenisnooitmeer
negeren?

 

Nederland deed óók aan slavenhandel in Indië

 

 

Het is opmerkelijk dat de roemruchte
Vereenigde Oost-Indische Compagnie in ons land vooral wordt gezien als een
toonbeeld van daadkracht en ondernemingszin. Dat de VOC-handel gepaard ging met
genocide, uitbuiting, oplichting en roof wordt nog te weinig benadrukt. In
nogal wat lesboeken geschiedenis wordt die kwalijke rol van de VOC bijvoorbeeld
nog steeds niet of nauwelijks belicht.

 

The Netherlands also dealed in slavery in the East
Indies

 

 

Nog minder bekend, is dat de VOC zich in
Azië ook altijd én op grote schaal heeft beziggehouden met slavenhandel en
slavernij.

 

De VOC haalde de slaafgemaakten uit
gebieden in het huidige India, Sri Lanka, Maleisië, de Filipijnen en de
Indonesische eilanden Bali, Sulawesi en Sumatra

 

Voor
het bouwen, onderhouden, uitbreiden en verdedigen van haar vestigingen,
handelsposten en forten, maar ook voor het uitvoeren van al haar
handelsactiviteiten kocht, gebruikte en verkocht de VOC vanaf begin 1600
slaafgemaakten. Alleen al in de eerste decennia van haar vestiging in de
Indische archipel heeft de VOCenkele
tienduizenden slaafgemaakte personennaar
haar handelsposten en vestigingen in de Indonesische archipel verscheept.

 

De VOC haalde de slaafgemaakten
voornamelijk uit Azië. Met name uit gebieden in het huidige India, Sri Lanka,
Maleisië, de Filipijnen en de Indonesische eilanden Bali, Sulawesi en Sumatra.
Maar zij kocht bijvoorbeeld ook slaafgemaakten op de slavenmarkten in
Oost-Afrika.

 

Op die slavenmarkten in Azië en Afrika was
de VOC een van de klanten. Maar de compagnie kocht ook krijgsgevangenen op in
conflictgebieden in de Aziatische regio. De tegen een lage prijs ingekochte
slaafgemaakten verkocht de Compagnie vervolgens elders met een flinke
winstmarge. Ook maakte de VOC zelf slaven. Op haar veroveringstochten werden
krijgsgevangenen dan simpelweg tot slaafgemaakten verklaard en vervolgens
verkocht of ten eigen bate gebruikt.

 

Uit
onderzoek blijkt dat de Vereenigde Oost-Indische Compagnie tijdens haar bestaan
naar schattingtussen de zeshonderdduizend en meer dan
een miljoen slaafgemaakten heeft verscheept, tewerkgesteld en
verhandeld.

 

Ter
vergelijking: de totale Nederlandse slavenhandel in de West wordt geschattussen de vijfhonderdduizend en zeshonderdduizend
personen.

 

Een van de grote verschillen tussen de
Nederlandse kolonisatie in de West en de Oost betreft de aard van de
kolonisatie. Suriname en de Antillen waren zogenaamde plantagekolonies,
Oost-Indië was een handelskolonie. De West had met haar plantages grote
behoefte aan slaafgemaakten die het zware plantagewerk moesten verrichten, in
de Oost, waar de begeerde gewassen al werden verbouwd met inzet van de lokale
vorsten en grootgrondbezitters, bestond die behoefte niet.

 

In de Oost werden slaafgemaakten dus
ingezet voor de opbouw, instandhouding én uitbreiding van het VOC-imperium in
de regio. Dit betrof vooral het bouwen en herstellen van forten en
nederzettingen. Daarnaast werden ze op grote schaal door particulieren gekocht,
verkocht en ingezet voor ‘diensten’ in de breedste zin, zoals het dienen in
huis, maar ook voor werk op de plantage.

 

De VOC profiteerde dus optimaal van de
goedkope arbeid van en de handel in slaafgemaakten. Maar er waren nog andere
manieren waarop zij voordeel trok van de ongelukkigen.

 

En verdiende daar op verschillende manieren geld aan

 

 

Al vanaf het begin van de VOC-activiteiten
in Azië werd door compagniedienaren zelf smokkelhandel bedreven. Dat gebeurde
ook met de handel in slaafgemaakten. In plaats van in te grijpen, maakten de
bewindvoerders van de Compagnie van de nood een deugd en lieten deze illegale slavenhandel
van hun personeel toe. Hij werd beschouwd als een nuttige ‘arbeidsvoorwaarde.’
Smokkelaars mochten zelfs gebruikmaken van de VOC-schepen.

 

Zonder overdrijving kunnen we stellen
dat de slavernij in de Oost een onbekende pijler is waarop het destijds
VOC-imperium was gebouwd

 

Daarnaast waren er nog de inkomsten uit de
zogenoemde slavenbelasting. De VOC had het monopolie op de slavenhandel in de
Indonesische archipel. Vanuit die positie hief zij belasting op elke slaaf die
door anderen werd verhandeld. Naast Europese particulieren waren dat vooral
Aziatische en Arabische slavenhandelaren.

 

Op deze wijze heeft de Compagnie in de
jaren van haar bestaan nog eens vele miljoenen extra in de kas laten vloeien.
Zonder overdrijving kunnen we stellen dat de slavenhandel en slavernij in de
Oost een grote, onbekende pijler is waarop het destijds imposante VOC-imperium
mede was gebouwd.

 

Ook belangrijk: dit hield niet op toen de VOC failliet
ging

 

 

En de slavenhandel en slavernij hielden
niet op toen de VOC eind achttiende eeuw ter ziele ging. Onder het bestuur van
de Nederlandse staat bleven die tot in de negentiende eeuw gehandhaafd en inde
diezelfde staat de inkomsten ervan. Dit deed hij onder meer door de verkoop van
slaafgemaakten en middels inning van de eerder genoemde slavenbelasting.

 

Terwijl andere koloniale mogendheden als
Engeland en Frankrijk overgingen tot afschaffing van de slavernij in
respectievelijk 1833 en 1848, duurde het tot halverwege de negentiende eeuw
voordat in het Nederlandse parlement na veel geharrewar werd besloten tot
afschaffing van de slavernij in Nederlands-Indië. ‘Uiterlijk op den 1sten
Januarij 1860 is de slavernij in geheel Nederlandsch-Indië afgeschaft,’ zo werd
beslist. Er zijn dus eigenlijk twee afschaffingsdata: 1 januari 1860 en 1 juli
1863.

Wie verwacht dat hiermee een einde kwam
aan de slavernij in de kolonie Nederlands-Indië, komt bedrogen uit. Met de
afschaffing op 1 januari 1860 werd slechts een klein deel van de slaven in de
archipel vrijgekocht, om precies te zijn werd er slechts voor 4.739 personen
een vrijkoopsom betaald. Het overgrote deel, dat wil zeggen de vele duizenden
slaafgemaakten die veelal in bezit waren van slavenhouders buiten Java, bleef
gewoon in slavernij.

 

Vrees voor politieke onrust onder de
lokale vorsten en grootgrondbezitters, maar vooral de wetenschap dat het
vrijkopen van deze slaafgemaakten geld zou kosten én inkomen zou schelen,
weerhielden de achtereenvolgende Nederlandse regeringen ervan daadwerkelijk een
einde te maken aan de slavernij in deze kolonie.

 

Het zorgt voor het onthutsende feit dat
onder het Nederlandse koloniale bewind de slavernij in Nederlands-Indië,
ondanks de formele afschaffing in 1860, tot in de eerste decennia van de
twintigste eeuw gewoon bleef voortbestaan!

 

Waarom hebben we het hier niet over?

 

 

Het is opmerkelijk dat deze oudste en
langste Nederlandse koloniale slavernijgeschiedenis geheel vergeten is; geen
plaats heeft in ons collectief geheugen, niet terug te vinden is in onze
nationale geschiedenis, geen plaats heeft in ons onderwijs en niet eens een
voetnoot waard is tijdens de nationale herdenking slavernijverleden.

 

Nu is het natuurlijk zo dat wij in dit
land altijd al een moeizame relatie hebben gehad met de schaduwkanten van de
nationale geschiedenis. Die moeizame relatie betreft niet in de laatste plaats
het verleden in de voormalige koloniën. Het feit dat er nu, na lang aandringen,
pas zicht is op en (enige) openheid komt over het structurele geweld dat door
het Nederlandse leger is gebruikt tijdens de dekolonisatie-oorlog in Indonesië
is daar een illustratie van.

 

Is dit niet een abject staaltje
geschiedvervalsing?

 

Dat het Nederlandse slavernijverleden in
de West wél een plaats heeft in ons collectieve geheugen, in onze nationale
geschiedenis en inmiddels jaarlijks wordt herdacht, is dan ook zeker niet te
danken aan een grootse houding om ons falen uit het verleden vrijwillig onder
ogen te willen zien, maar is vooral het gevolg van de bewonderenswaardige en
niet-aflatende strijd van Surinaamse en Antilliaanse nazaten in eendrachtige
samenwerking met zowel witte als zwarte historici voor erkenning van hun
slavernijgeschiedenis.

 

Als het gaat om het Nederlandse
slavernijverleden in de Oost is er nooit een vasthoudende groep van nazaten
opgestaan die erkenning van haar geschiedenis heeft geëist. En het valt ook
niet te verwachten dat zo’n groep zal opstaan, simpelweg omdat verreweg de
meeste nazaten van de slaafgemaakten in de Oost zich niet bewust zijn van hun
eigen geschiedenis van slavernij.

 

Moeten we dan maar doorgaan met nalaten
ook dit belangrijke deel van ons slavernijverleden te erkennen en te herdenken?
Dat lijkt mij niet. Om met het herdenken te beginnen: dat is niet alleen een
zaak waarmee respect wordt betoond aan slachtoffers en (bewuste) nazaten, maar
is natuurlijk óók bedoeld om ‘niet te vergeten’; om ons bewust te worden van
ons handelen in het verleden, om daar kritisch naar te (blijven) kijken en
daarvan te leren voor de toekomst.

 

 

En is het niet hypocriet dat in ons
geschiedenisonderwijs quasi manmoedig ‘de slavernij in de voormalige koloniën’
(let op het meervoud!) is opgenomen, maar dat dat alleen de slavernij in
Suriname en de Antillen betreft, en dat Nederlandse slavernijgeschiedenis in de
Oost volledig ontbreekt? Is dit niet, nu onderzoek dit onweerlegbaar heeft
aangetoond en het totale Nederlandse aandeel in deze donkere episode uit de
wereldgeschiedenis dus veel groter blijkt te zijn dan tot nu toe werd
aangenomen, een abject staaltje van geschiedvervalsing?

 

Bovendien is het een misvatting te denken
dat als wij het maar blijven ontkennen en negeren, de rest van de wereld het
nooit te weten komt. Precies een jaar geleden mocht ik op de Gadjah
Mada-universiteit in Yogyakarta een vol auditorium toespreken tijdens een
symposium over… het Nederlandse slavernijverleden in de Indonesische archipel!
Tsja, in Indonesië hebben ze inmiddels aardig wat ervaring met de Nederlandse
verzwijging en verdraaiing als het gaat om de gezamenlijke geschiedenis.

Het is inmiddels bijna drie jaar geleden
dat het boek is uitgekomen waarin ik dit ‘vergeten’ deel van de Nederlandse
slavernijgeschiedenis uitvoerig beschrijf, maar nog steeds heerst in dit land
wat dit betreft een oorverdovende stilte. Dat stemt weinig hoopvol. Ook bij de
slavernijtentoonstelling in het Tropenmuseum die net geopend is, is er amper
aandacht voor de slavernij in de oost.

Dat kan ook anders. Onlangs maakte Unesco bekend dat de enkele jaren geleden
ontdekte resten van Cais do Valongo, de vroegere slavenhaven van Brazilië, op
de werelderfgoedlijst worden geplaatst. ‘Zodat we ons aspecten van de
menselijke geschiedenis herinneren die niet vergeten mogen worden,’Lees hier meer over de motivatie van Unesco.luidt een deel van de motivatie.Die resten waren ooit toegedekt en daarmee verborgen voor het nageslacht.

 

Welnu, hier in Nederland is sprake van nota bene een complete en enkele eeuwen omspannende slavernijgeschiedenis die is toegedekt en verborgen voor het nageslacht! Het wordt dus hoog tijd dat niet alleen ons onderwijs over het slavernijverleden verbetert, maar dat ook de slavernij en slavenhandel in de Oost daarin een plaats krijgt. Dat het ook deel wordt van onze nationale geschiedenis en op z’n minst herinnerd wordt tijdens
de nationale herdenking. Onwetendheid over het werkelijke, volledige slavernijverleden
van dit land en het verkeerde nationale zelfbeeld dat daarvan het gevolg is,
kunnen immers aan de basis staan van intolerantie, racisme en vreemdelingen haat.

Een natie die daarin geen verandering wil brengen en dus kennelijk een van haar donkerste schaduwkanten uit het verleden negeert en verborgen houdt, is niet alleen ongeloofwaardig en dwingt geen enkel respect of moreel gezag af, maar oogst en verdient, niet in de laatste plaats internationaal, slechts huizenhoge irritatie en overvloedige hoon.